Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ban·ket
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘feestmaal’ voor het eerst aangetroffen in 1483 [1]
  • [2]
1 enkelvoud meervoud
naamwoord banket banketten
verkleinwoord banketje banketjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord banket -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

banket o

  1. een feestelijke, officiële maaltijd
    • Zij gaven gisteren een banket. 
     Slechts twee jaar later zeilde hij het mooiste en snelste jacht dat er toen was naar de overwinning in de Kielregatta en zat aan de tafel van de Kaiser bij het afsluitende banket, net verloofd met Ingeborg.[3]
  2. een vet en zoet gebak van bladerdeeg dat gevuld is met spijs
    • Wij vinden banket heerlijk! 
  3. (waterbeheer) horizontaal gedeelte in een talud; ook gebruikt als ophoging op het strand tegen de duinvoet [4]
      Ter opsluiting van de ballast zijn over de geheele lijn banketten aangebracht[5]
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[6]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. "banket" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. banket op website: Etymologiebank.nl
  3. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5.   Weblink bron Ch.F. de Rochemont Ontstaan en inrichting van de Atjeh-tram in: De Ingenieur  , jrg. 26 nr. 1 (7-1-1911), Kon. Inst. van Ingenieurs, blz. 121 kol. 1
  6.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Deens

Woordafbreking
  • ban·ket

Werkwoord

banket

  1. voltooid deelwoord van banke