astroloog

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • as·tro·loog
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord astroloog astrologen
verkleinwoord astroloogje astroloogjes

Zelfstandig naamwoord

astroloog m

  1. (beroep) een beoefenaar van de astrologie
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[2]

Meer informatie

Verwijzingen