afslijten

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·slij·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afslijten
sleet af
afgesleten
klasse 1 volledig

Werkwoord

afslijten

  1. ergatief in een proces van slijtage verliezen
    • Het oorspronkelijke opschrift is helaas geheel afgesleten. 
Vertalingen

Gangbaarheid

91 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be