aanzweven


Nederlands

 
Flora komt aanzweven met een bos bloemen
Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·zwe·ven
Woordherkomst en -opbouw

Werkwoord

aanzweven [1]

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanzweven
zweefde aan
aangezweefd
zwak -d volledig
  1. vliegend naderen
     Een energieke netwerker, een enthousiaste verbinder, een toegankelijke bestuurder en een sterrenkok achter de barbecue: na zijn benoeming tot nieuwe commissaris van de koning in Noord-Holland kreeg Arthur van Dijk zoveel lof toegezwaaid van alle kanten, dat het verbaasde dat hij maandagmiddag voor zijn installatie de vergaderzaal in Haarlem binnenwandelde, en niet kwam aanzweven in een nauwsluitend blauw pak met wapperende rode cape.[2]

Gangbaarheid

77 % van de Nederlanders;
68 % van de Vlamingen.[3]

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron Patrick Meershoek “Warm bad en één emmer koud water voor nieuwe commissaris” (7 januari 2019), Het Parool
  3.   Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be