• aan·trek·ke·lijk
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen aantrekkelijk aantrekkelijker aantrekkelijkst
verbogen aantrekkelijke aantrekkelijkere aantrekkelijkste
partitief aantrekkelijks aantrekkelijkers -

aantrekkelijk

  1. bekoorlijk, fijn, leuk, knap
    • Ze spelen aantrekkelijk voetbal. 
    • Een filmster is vaak een aantrekkelijke vrouw. 
    • De selectiecommissie - Gerard Joling, Danny Rook en Jocye Humblet - zag een bonte stoet huwelijkskandidaten aan zich voorbij trekken die bestond uit aantrekkelijke hunks, doorsnee mannen, 'hangbuikzwijntjes' en zelfs een naar liefde verlangende vrouw. [1] 
    • Het is een aantrekkelijk plan om eerst hard te gaan werken en daarna op vakantie te gaan. 
     Ik kon mij voorstellen dat haar poëzie compromisloos experimenteel zou zijn, en van een aantrekkelijke eenzelvige gekte, die in feite een getormenteerde en door geen criticus begrepen verschijningsvorm was van passie die woedde als een uitslaande brand.[2]
  2. (verouderd) licht geraakt, zich dingen aantrekkend
    • En toch was hij, ten gevolge van zijn ligchaamsgestel, niet zelden zwaarmoedig gestemd en doorgaande gevoelig en aantrekkelijk. [3]
98 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[4]
  1. Tubantia Tom Tates 26-10-17 Rogier uit Leiden brengt hart van naar liefde hunkerende Gordon op hol
  2. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers  , ISBN 978-90-295-2622-7, p. 31
  3. Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden. (1864).
    Handelingen en mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden over het jaar. Leiden, E.J. Brill.
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be