• aan·schaf·fen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aanschaffen
/ˈansxɑfə(n)/
schafte aan
/sxɑftə ˈʔan/
aangeschaft
/ˈanɣəsxɑft/
zwak -t volledig

aanschaffen

  1. overgankelijk tegen betaling verwerven
    • U dient de software na 30 dagen aan te schaffen. 
     Zo belasten Nederlandse varkensbedrijven steeds minder de natuur, bijvoorbeeld door de technieken die ze voor hun stallen aanschaffen.[2]
     Wandelstokken? Inderdaad, ik was met de trend meegegaan en had een paar Leki Thermalite-wandelstokken aangeschaft.[3]

de aanschaffenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord aanschaf
99 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2.   Weblink bron
    Martin Kuiper
    “Nederlandse varkenshouderij zit na ‘dramatisch’ jaar in overlevingsmodus” (1 februari 2022) op nrc.nl  
  3. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers  
  4.   Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be