Geschichtslehrer

Duits

Uitspraak
  • IPA: /ɡəˈʃɪçʦˌleːʀɐ/
Woordafbreking
  • Ge·schichts·leh·rer
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

Geschichtslehrer m

  1. geschiedenisleraar
Verbuiging
Afgeleide begrippen