Gewijzigd op 7 jan 2014 om 20:36

winkel

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • win·kel
Woordherkomst en -opbouw
  • Van middelnd. winkel (hoek), verg. ook du. Winkel (hoek). De betekenis is dus eigenlijk "hoek waar men waren uitstalt".
enkelvoud meervoud
naamwoord winkel winkels
verkleinwoord winkeltje winkeltjes

Zelfstandig naamwoord

winkel m

  1. (handel) een plaats waar koopwaar wordt verkocht
Gelijkklinkende woorden
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Overerving en ontlening
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
winkelen

winkel

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winkelen
    Ik winkel.
  2. gebiedende wijs van winkelen
    Winkel!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van winkelen
    Winkel je?

Meer informatie