tijd
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: tijd (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /tɛɪ̯t/
- (Vlaanderen, Brabant): /tɛːt/
- (Limburg): /tɛɪ̯d/
Woordafbreking
- tijd
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | tijd | tijden |
| verkleinwoord | tijdje | tijdjes |
Zelfstandig naamwoord
tijd m
- de onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
- Doorheen de tijd heeft de aarde al heel wat evoluties meegemaakt.
Hyponiemen
|
|
|
|
|
Afgeleide begrippen
|
|
|
|
|
- op tijd
Verwante begrippen
- m: destijds, ten tijde van, te allen tijde
- v: te zijner tijd, toentertijd
- tijdelijk, tijdig; tijdsduur, tijdstip, tijdvak
| eenheden van tijd in het Nederlands (nld) |
|---|
| yoctoseconde • zeptoseconde • attoseconde • femtoseconde • picoseconde • nanoseconde • microseconde • milliseconde • centiseconde • deciseconde • seconde • decaseconde • hectoseconde • kiloseconde • megaseconde • gigaseconde • teraseconde • petaseconde • exaseconde • zettaseconde • yottaseconde |
| seconde • minuut • kwartier • uur • dag / etmaal / nychthemeron • week • decade • maand / maanmaand • kwartaal / trimester / jaargetijde / seizoen • tertaal • semester • jaar / annum • lustrum • decennium • generatie • eeuw / hectoannum • millennium / kiloannum • mega-annum • giga-annum |
Uitdrukkingen en gezegden
- er zit een mooie tijd aan te komen
Vertalingen
1. de onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
er zit een mooie tijd aan te komen
|
Bijwoord
tijd
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
- tijdrekken: Je zit alleen maar tijd te rekken.
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.