tijd

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tijd
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: tijt
Oudnederlands: tīt
Germaans: *tīðiz
Indo-Europees: *dih₂-ti-
  • Verwant in Germaans:
West: Duits: Zeit (Oudhoogduits: zīt), Nederduits: Tied (Oudsaksisch: tīd), Engels: tide ‘getij’ (Oudengels: tīd), Fries: tiid (Oudfries: tīd)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: tid (Oudnoors: tíð)
enkelvoud meervoud
naamwoord tijd tijden
verkleinwoord tijdje tijdjes

Zelfstandig naamwoord

tijd m

  1. de onstuitbare gang der dingen van toekomst door het heden naar het verleden
    Doorheen de tijd heeft de aarde al heel wat evoluties meegemaakt.
Hyponiemen
  • paastijd
  • periodetijd
  • plantagetijd
  • proeftijd
  • pruikentijd
  • pubertijd
  • reactietijd
  • regentijd
  • retentietijd
  • rijtijd
  • rotatietijd
  • rottijd
  • ruimte-tijd
  • ruimtetijd
  • rusttijd
  • schooltijd
  • slaaptijd
  • spertijd
  • standaardtijd
  • steentijd
  • studententijd
Afgeleide begrippen
  • op tijd
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • er zit een mooie tijd aan te komen
Vertalingen

Bijwoord

tijd

  1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord
    tijdrekken: Je zit alleen maar tijd te rekken.

Meer informatie

Gewijzigd op 4 feb 2014 om 07:41