optellen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·tel·len
Woordherkomst en -opbouw
  • Samenstelling van tellen met het voorvoegsel op-
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
optellen
telde op
opgeteld
zwak -d volledig

Werkwoord

optellen

  1. (overgankelijk) (wiskunde) bij elkaar tellen; het samenvoegen van twee of meer termen tot een totaal, de som genoemd
    Als je twee bij twee optelt, krijg je vier.
Vertalingen

Meer informatie

Gewijzigd op 9 jan 2014 om 00:05