muts

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • muts
enkelvoud meervoud
naamwoord muts mutsen
verkleinwoord mutsje mutsjes

Zelfstandig naamwoord

muts v

  1. (kleding) hoofddeksel van textiel zonder harde rand
    Zet je muts op! Het vriest buiten.
  2. netmaag, één van de vier magen van herkauwers
  3. de volkse naam voor vagina
  4. een scheldwoord voor een vrouw
Vertalingen

Meer informatie

Gewijzigd op 19 aug 2012 om 13:43