Gewijzigd op 12 mei 2014 om 21:43

dijk

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dijk
enkelvoud meervoud
naamwoord dijk dijken
verkleinwoord dijkje dijkjes

Zelfstandig naamwoord

dijk m

  1. (waterstaat) een opgeworpen aarden wal op het land meestal bestemd als waterkering ter directe bescherming van het achterliggende land
    De dijk langs de rivier was erg bochtig.
    De spoorweg was op een dijk gebouwd
  2. een kunstmatig aangelegde, hoger gelegen, rechte weg door een (voormalig) moerassig gebied, moerdijk (?)
Hyperoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • Aan de dijk gezet worden
Afgedankt, ontslagen worden
  • Dat zet geen zoden aan de dijk
Daar schieten we niets mee op
  • Wie niet dijken wil moet wijken
Men moet kiezen of delen
Vertalingen

Meer informatie