appelsap

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ap·pel·sap
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord appelsap appelsappen
verkleinwoord appelsapje appelsapjes

Zelfstandig naamwoord

appelsap

  1. o (drinken) een vruchtensap die uit appels bereid is
    Op warme dagen drink ik graag appelsap.
  2. v/m een zekere voorraad van [1], zoals een pak of fles
    De appelsap is op, ik ga even een nieuw pak halen.
Hyperoniemen
Vertalingen

Meer informatie

Gewijzigd op 16 feb 2013 om 19:28