Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·smeekt

Werkwoord

vervoeging van
afsmeken

afsmeekt

  1. (in een bijzin) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afsmeken
    • ... dat jij afsmeekt. 
  2. (in een bijzin) derde persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van afsmeken
    • ... dat hij afsmeekt.